Ok

En poursuivant votre navigation sur ce site, vous acceptez l'utilisation de cookies. Ces derniers assurent le bon fonctionnement de nos services. En savoir plus.

dimanche, 28 janvier 2007

Vilfredo Pareto and Political Irrationality

Vilfredo Pareto and Political Irrationality

Tomislav Sunic

http://foster.20megsfree.com/393.htm

07:40 Publié dans Théorie politique | Lien permanent | Commentaires (1) | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook

Mohammed Mossadeq (1882-1967) (NL)

Mohammed Mossadeq (1882-1967)

Yves PERNET

Iran is een land dat periodes van op- en neergang kent. Het Iran dat we nu kennen, is pas ontstaan in 1979 bij de Islamitische Revolutie, die Khomeini aan de macht bracht (en samen met hem, het huidige regime van de ayatollahs). Maar voor deze revolutie hebben nog andere belangrijke gebeurtenissen plaatsgevonden. Gebeurtenissen in gang gezet door personen die het beste voorhadden met hun land, maar door buitenlandse krachten werden afgezet. Eén van die personen was Mohammed Mossadeq.
 
 
Mohammed Mossadeq werd geboren in 1882. Het Iran waarin hij opgroeide, werd reeds 129 jaar geregeerd door de Qajar-dynastie. Mossadeq zelf behoorde ook tot deze familie. Zijn vader, Hedayat Ashtiani, was de minister van financiën voor toenmalige koning van Iran, Naser al-Din Sjah Qajar. De moeder van Mossadeq was dan weer een kleindochter van de kroonprins Abbas Mirza.
In 1906 werd Mossadeq verkozen tot dit parlement vanuit het kanton Isfahan. Maar aangezien hij jonger was dan dertig, weigerde hij zijn zetel. Een slimme zet zo bleek later want ondertussen was Mohammed Ali Sjah Qajar aan de macht gekomen. Hij ontbond het parlement en liet liberalen en andere democratisch-gezinden opsluiten en/of executeren. Dit met de steun van Rusland. Mossadeq dook onder en in 1909 verliet hij Iran. Datzelfde jaar werd Mohammed Ali Sjah Qajar afgezet door een tweede democratische revolutie. Mossadeq reisde rond door Europa, tot hij in 1914 terugkeerde naar Iran waar hij les ging geven aan het Politieke Instituut van Teheran als professor. In 1917 werd Mossadeq vice-minister van Financiën. Op deze positie liet hij zich opmerken als iemand die vele stappen zette tegen corruptie op het ministerie.
 
In 1919, nadat Britse troepen via Iran de Russische revolutie probeerden neer te slaan, tekende het kabinet van Vosugh al-Doleh een overeenkomst met de Britten. Deze overeenkomst kwam er op neer dat Iran een Britse kolonie werd. Mossadeq protesteerde hevig tegen deze overeenkomst en verliet Iran.
Een paar maand later viel het kabinet van Vosguh door de druk van het volk. De nieuwe eerste minister wordt Moshir al-Doleh. Hij loodste Mossadeq zijn kabinet binnen, deze keer als minister van Justitie. In 1921 keerden de Britten terug. Dit door een pro-Britse coup te steunen, waardoor Seyed Zia en Reza Khan aan de macht kwamen. Mossadeq trok de legitimiteit van dit regime, dat 100 dagen zou duren, in twijfel en gaf zijn gouverneurspost op.
 In 1932 werd hij opnieuw verkozen in het parlement maar geeft ook deze keer zijn zetel op, dit keer vanwege het aanstellen van Reza Pahlavi als sjah. Maar het tij keerde en in 1944 wordt Mossadeq opnieuw verkozen. Dit keer werd Mossadeq verkozen als lid van het Nationaal Front. Het Nationaal Front was gesticht om de buitenlandse invloed uit Iran te krijgen, een invloed die na WOII zeer groot was geworden. Vooral de ontginning van Iran’s oliebronnen was een heikel punt.
 
De nationalisatie van de oliebronnen
 De Iraanse olie werd ontgonnen door de Anglo-Iranian Oil Company. Een minimum van hun winst ging naar Iran en het bedrijf was, zoals te verwachten, volledig in Britse handen. Eerst probeerde de Iraanse regering te onderhandelen voor meer oliegeld maar de AIOC weigerde. Mede onder invloed van Mossadeq, stemde het parlement voor de nationalisatie. De eerste minister, Haij-Ali Razmara, was tegen deze nationalisatiewet maar werd vermoord op 7 maart 1951. Op 28 april 1951 werd Mohammed Mossadeq ingezworen als eerste minister.
 Eén van zijn eerste taken was het doorvoeren van de nationalisatiewet en nam eigendommen van de AIOC in Iran in beslag. Ook andere westerse bedrijven konden hun koffers pakken, de Iraanse olie kwam nu in Iraanse handen. De Britten reageerden met een verbod op olie-export vanuit Iran en blokkeerde de Perzische Golf met hun vloot.
Dit zorgde echter voor een groot probleem. Tot aan de nationalisatie was Groot-Brittannië de grootste afnemer van Iraanse olie geweest. Tot voor de nationalisatie exporteerde Iran voor meer dan 100 miljoen dollar naar Groot-Brittannië. Hou hierbij in het achterhoofd dat we het hebben over de jaren ’50. 100 miljoen dollar toen was dan ook een veelvoud van wat het nu is. Door het verbod op Iraanse olie, ontstond er dus een crisis. Deze crisis zou de naam “Abadan Crisis” toegewezen krijgen.
Ondanks de economische crisis die ontstond, bleef Mossadeq immens populair. In 1952 werd hij opnieuw aangesteld door het parlement als eerste minister en vroeg aan de sjah (die nog steeds staatshoofd was) voor volmachten. Deze zouden volledige controle over het leger en het ministerie van oorlog inhouden. De sjah weigerde en Mossadeq trad af. Ahmed Qavam werd aangesteld als vervanger en maakte bekend dat hij met de Britten wilde onderhandelen om het oliedispuut op te lossen. Iets dat zeer zeker zou leiden tot het terugdraaien van de nationalisatie van Mossadeq’s beleid.
Dit leidde tot grote straatprotesten en de sjah moest al snel inbinden en benoemde Mossadeq opnieuw tot eerste minister met al de volmachten die eerder geweigerd waren. Meteen begon hij met het doorvoeren van verdere hervormingen.
 De nationalisatie werd door het herbenoemen van Mossadeq bevestigd en hij verlegde zijn aandacht dan ook snel naar andere sectoren. De Iraanse landbouw zou de volgende worden. Sinds eeuwen was het landbouwsysteem van Iran gebaseerd op feodale basis. Een paar grootgrondbezitters beheersten alles en de kleinere boeren leverden delen van hun oogst aan hen. Ook hier volgde Mossadeq de weg van de nationalisatie. Landbouw werd genationaliseerd en een systeem van collectieve boerderijen werd ingevoerd. De grond werd eigendom van de staat en de macht van de agrarische elites werd gebroken. Mossadeq deed zijn best om Iran de moderne tijden in te leiden, iets waar hij waarschijnlijk in zou zijn geslaagd wanneer hij op dat moment niet de verkeerde vijand zou uitgekozen hebben.
 
Zijn volgende hervorming zou als onderwerp het leger hebben. Hij ontsloeg vele officieren in de hogere rangen die bekend stonden om hun loyaliteit ten aanzien van de sjah. Dit deed hij waarschijnlijk om een stap in de richting van de ontbinding van de monarchie te zetten. De officieren die ontslagen werden, bleven echter niet bij de pakken zitten en zochten contact met het Verenigd Koninkrijk en de VSA.
Deze twee landen waren ondertussen ongerust geraakt over Iran. Zij beschouwden Iran als een bedreiging voor hun handelsbelangen. Deze twee landen deden Mossadeq’s beleid af als schadelijk voor Iran en probeerden lucratieve oliecontracten met Iran te bekomen. Mossadeq, die niet van gisteren was, schoof deze voorstellen van de baan en werd daardoor gedwongen om hechter samen te werken met de Tudeh Partij (de communisten van Iran). Hierdoor werd de VSA nog wantrouwiger aangezien zij Iran nu als voorpost van de USSR begonnen te zien.
 De Britten en Amerikanen begonnen naar bondgenoten te zoeken in Iran om Mossadeq te doen “bijdraaien”. Iets waar de persoon in kwestie nogal snel achterkwam. In 1952 verklaarde hij het Verenigd Koninkrijk een “vijand van de staat” en beëindigde alle diplomatiek relaties ermee. Hierna zou het redelijk snel gaan.
 
Operatie Ajax
 De CIA begon met “Operatie Ajax” om de sjah ervan te overtuigen Mossadeq af te zetten. Zo deden CIA-agenten zich voor als aanhangers van Mossadeq en bedreigden uit zijn naam andere groeperingen (zoals de islamieten). Dit zorgde voor een onhoudbare situatie en Mossadeq moest maatregelen nemen. Zo riep hij een nationaal referendum uit om het parlement te ontbinden en zijn volmachten te verlengen. Dit referendum verliep gunstig voor hem aangezien 99,9% ja stemde. Waarschijnlijk was dit referendum dan ook “lichtjes bijgestuurd” door hem.
 
Door de onrust in Iran kon de economie niet heropleven en de crisis duurde voort. De communisten langs links en de religieus-conservatieven langs rechts lieten Mossadeq vallen. Toch ging Mossadeq door met zijn hervormingen en deze keer mikte hij op de sjah. Hij probeerde de sjah in augustus 1953 te overhalen het land te verlaten, wat mislukte. Hierdoor werd de volgende fase van “Operatie Ajax” ingezet en Mossadeq werd door de sjah afgezet. Mossadeq weigerde dit echter te aanvaarden en al snel begon er een mini-burgeroorlog in Iran.
Pro- en anti-monarchisten bevochten elkaar op de straat en er vielen meer dan 300 doden. Met Amerikaans en Brits geld en middelen kregen de pro-monarchisten al snel de overhand en reeds op 19 augustus 1953 werd een coup gepleegd door pro-monarchisten. Mossadeq werd gearresteerd.
 De nieuwe regering draaide zijn hervormingen terug en in augustus 1954 werd de Iraanse olie terug in buitenlandse handen geplaatst. Mossadeq zou sterven op 5 maart 1967. In maart 2000 zou Madeleine Albright over Mossadeq het volgende zeggen: “The Eisenhower administration believed its actions were justified for strategic reasons. But the coup was clearly a setback for Iran’s political development and it is easy to see now why many Iranians continue to resent this intervention by America.”In 2004 zou de Pahlavi-straat in Caïro veranderd worden in de Mossadeq-straat.
 Mossadeq wou van Iran een moderne natie maken. Zijn plan was om Iraanse grond(stoffen) in Iraanse handen te krijgen. Waarschijnlijk wou hij ook de sjah afzetten en Iran omvormen tot een republiek, waar hij zelf de eerste president van zou zijn. Door het afzetten van Mossadeq, werd een corrupt regime in het leven geroepen. Iets dat later, na de Islamitische Revolutie, zou uitmonden in het huidige theocratische regime.
 Yves Pernet
Scriptor NSV!-Antwerpen
Stud. rer.
 

07:25 Publié dans Biographie | Lien permanent | Commentaires (0) | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook

Carl Schmitt: Etat, nomos et "grands espaces"

Theo HARTMAN:

Carl Schmitt: Etat, nomos et "grands espaces"

La maison d'édition berlinoise Duncker & Humblot, qui publie l'essentiel de l'œuvre de Carl Schmitt, a eu le mérite l'an passé d'avoir publié une anthologie d'articles définitionnels fondamentaux du juriste et polito­logue allemand (CS, Staat, Großraum, Nomos - Arbeiten aus den Jahren 1916-1969), magistralement pré­facés par Günter Maschke. Ce fut sans doute, à nos yeux, le nouveau livre le plus important en philoso­phie politique exposé à la Foire de Francfort en octobre 1995. Mais c'est aussi un livre fondamental pour comprendre dans tous ses rouages le monde d'après la Guerre Froide. Günter Maschke, un des plus grands spécialistes allemands de Carl Schmitt, mérite nos éloges pour avoir annoté avec une remar­quable précision tous ces articles et surtout les avoir resitués dans leur vaste contexte. Maschke fournit en effet au lecteur  —à l'étudiant comme à l'érudit—  des commentaires et des analyses très mé­thodiques et très fouillées. Staat, Großraum, Nomos est divisé en quatre parties: 1. Constitution et dicta­ture; 2. Politique et idée; 3. Grand-Espace et Droit des gens et 4. Du Nomos de la Terre. A notre avis, l'essentiel pour notre monde en effervescence depuis la chute du Mur réside dans les deux dernières par­ties.

Cette nouvelle anthologie a l'immense mérite de concentrer toute son attention sur un aspect moins connu, mais toutefois déterminant, de la pensée et de l'œuvre de Carl Schmitt: la géopolitique. Notre “Centre de Recherches en Géopolitique” avait jadis déjà mentionné quelques-uns de ces textes fonda­mentaux, mais le vaste ensemble d'articles et d'essais sélectionnés par Maschke permet de jeter, sur cette géopolitique schmittienne, un regard beaucoup plus synoptique.

Le “Grand-Espace”

Notre Centre a publié depuis 1988 un certain nombre de textes de géopolitique; depuis 1991, nous réflé­chissons intensément sur le nouvel ordre mondial après l'effondrement de l'Union Soviétique. L'ère nou­velle sera très vraisemblablement marquée par la notion de “Grand-Espace”, toutefois dans un sens peut-être différent de celui que lui donnait Carl Schmitt. Commençons notre analyse par une citation de Joseph Chamberlain qui illustre bien l'intention des géopolitologues et de Schmitt lui-même: «L'ère des petites na­tions est révolue depuis longtemps. L'ère des empires est advenue» (1904). Mais l'effondrement de l'URSS nous enseigne que l'ère des empires traditionnels est elle aussi révolue, si l'on considère toutefois que le dernier des empires traditionnels a été l'Union Soviétique. A la place des empires, nous avons dé­sormais les “Grands-Espaces”. Dans son essai Raum und Großraum im Völkerrecht, Schmitt définit clai­rement le concept qu'il entend imposer et vulgariser: «Le “Grand-Espace” est l'aire actuellement en ges­tation, fruit de l'accroissement à l'œuvre à notre époque, où s'exercera la planification, l'organisation et l'activité des hommes; son avènement conduira au dépassement des anciennes constructions juridiques dans les petit-espaces en voie d'isolement et aussi au dépassement des exigences postulées par les systèmes universalistes qui sont liés polairement à ces petits-espaces».

Schmitt cite Friedrich Ratzel et montre, en s'appuyant sur ces citations, comment, à chaque génération, l'histoire devient de plus en plus déterminée par les facteurs géographiques et territoriaux. C'est d'autant plus vrai aujourd'hui pour notre génération, car la bipolarité d'après 1945 fait place à une multipolarité, dont on ne connaît pas encore exactement le nombre de protagonistes.

Maschke, dans ses commentaires sur l'article intitulé Völkerrechtliche Großraumordnung mit Interventionsverbot für raumfremde Mächte, mentionne à juste titre la théorie de Haushofer qui envisa­geait de publier un Grundbuch des Planeten, un livre universel sur l'organisation territoriale de la planète. La géopolitique, selon Haushofer, ne devait pas servir des desseins belliqueux  —contrairement à ce qu'allèguent une quantité de propagandistes malhonnêtes—  mais préparer à une paix durable et éviter les cataclysmes planétaires du genre de la première guerre mondiale. Ce Grundbuch  haushoférien devait également définir les fondements pour maintenir la vie sur notre planète, c'est-à-dire la fertilité du sol, les ressources minérales, la possibilité de réaliser des récoltes et de pratiquer l'élevage au bénéfice de tous, de conserver l'“habitabilité” de la Terre, etc., afin d'établir une quantité démographique optimale dans cer­tains espaces. Les diverses puissances agissant sur la scène internationale pratiqueraient dès lors des échanges pour éviter les guerres et les chantages économiques. Certes, on peut reprocher à ce Grundbuch de Haushofer, un peu écolo avant la lettre, d'être utopique et irénique, mais force est de cons­tater que ses idées étaient fondamentalement pacifistes et qu'elles ne coïncidaient pas avec les projets agressifs de l'Allemagne nationale-socialiste. Pourtant, Maschke rappelle que Schmitt et Haushofer ne correspondaient apparemment pas et ne s'étaient jamais vus.

Cet article sur le völkerrechtliche Großraumordnung... constituaient une tentative d'introduire en Europe une “doctrine de Monroe” au cours de la seconde guerre mondiale. Dans son commentaire, Maschke rap­pelle les thèses d'un géographe américain, Saul Bernard Cohen, qui a eu le mérite de maintenir à flot les idées géopolitiques avant leur retour à l'avant-plan. Le concept cohenien de “région géopolitique”, déve­loppé depuis les années 60 et actualisé aujourd'hui, s'avère pertinent dans le contexte actuel de “fin de millénaire”. Ces idées de “grand-espace” et de “région géopolitique” se retrouvent également chez les deux experts espagnols de droit international, fortement influencés par Schmitt: Camilo Barcia Trelles et Luis Garcia Arias.

L'étude de Schmitt Das Meer gegen das Land (La mer contre la terre) de 1941 contient le noyau essentiel du futur livre de Schmitt Land und Meer. Maschke pense que Schmitt a été influencé par la lecture de Vom Kulturreich des Meeres (1924) de Kurt von Boeckmann, et de Vom Kulturreich des Festlandes (1923) de Leo Frobenius.

Une recension écrite par Schmitt en 1949 garde toute sa pertinence aujourd'hui, souligne Maschke. Elle s'intitule Maritime Weltpolitik. Schmitt y écrit: «La domination de l'espace aérien et la possession de moyens de destruction modernes pourront à elles seules s'assurer la domination sur la terre et sur la mer. [Par ces moyens techniques], notre planète est encore devenue plus petite. En comparaison avec les structures qu'érige la technique moderne sur la planète, la Tour de Babel apparaît comme une entreprise très modeste. La Mer a perdu sa puissance en tant qu'élément et notre Terre est devenue un aérodrome» (p. 479 de l'édition de Maschke).

Quelques années après la seconde guerre mondiale déjà, Schmitt tire la conclusion: dans le futur, le con­trôle de la planète s'exercera par le biais des communications aériennes (et plus tard spatiales); la Terre et la Mer perdront de l'importance. Le nouvel espace  —jeu de mot!—  sera l'espace.

Schmitt mentionne l'œuvre de l'Américain Homer Lea (1876-1913) dans sa recension. Lea avait terminé sa carrière comme conseiller militaire de Sun Yat Sen en Chine. Il avait écrit des livres importants, largement oubliés aujourd'hui: The Day of the Saxon (1912) et The Valor of Ignorance (1909). Le polémologue suisse Jean-Jacques Langendorf, ami et complice de Maschke, avait préfacé une réédition allemande de The Day of the Saxon et prépare actuellement une vaste étude sur le écrits militaires et géopolitiques de Lea.

Le Nomos

Penchons-nous maintenant sur la quatrième partie de cette anthologie, qui commence par la définition que donne Schmitt du “nomos”: «Il est question d'un Nomos de la Terre. Ce qui signifie: je considère la Terre  ­l'astéroïde sur lequel nous vivons—  comme un Tout, comme un globe et je recherche pour elle un ordre et un partage globaux. Le terme grec “nomos”, que j'utilise pour désigner ce partage et cet ordre fondamental, dérive de la même étymologie que le mot allemand “nehmen” (= prendre). Nomos signifie dès lors en première instance, la “prise”. Ensuite, ce terme signifie, le partage et la répartition de la “prise”. Troisièmement, il signifie l'exploitation et l'utilisation de ce que l'on a reçu à la suite du partage, c'est-à-dire la production et la consommation. Prendre, partager, faire paître sont les actes primaires et fonda­mentaux de l'histoire humaine, ce sont les trois actes de la tragédie des origines» (Maschke, p. 518).

Dans une étude datant de 1958 et intitulée Die geschichtliche Struktur des Gegensatzes von Ost und West  (= La structure historique de l'opposition entre l'Est et l'Ouest), Schmitt mentionne quelques-unes des théories géopolitiques de base énoncées par Sir Halford John Mackinder. Il se réfère au géographe britannique quand il affirme que l'opposition entre puissances continentales et puissances maritimes constitue la réalité globale de la guerre froide. Quand il commente cette étude, Maschke commet la seule erreur que j'ai pu trouver dans son travail par ailleurs exemplaire. L'“Ile du monde” selon Mackinder est l'Europe + l'Asie + l'Afrique et non pas l'“hémisphère oriental” comme le dit Maschke (p. 546). Celui-ci af­firme également que Mackinder avait été influencé par le géographe allemand Joseph Partsch. Je ne pré­tends pas être un expert dans l'œuvre de Mackinder, mais c'est bien la première fois que je lis cela...

Nous avions déjà eu l'occasion de recenser un ouvrage important de Schmitt, Gespräch über den neuen Raum (= Conversation sur le nouvel espace). C'est l'une des contributions les plus pertinentes de Schmitt à la géopolitique depuis 1945. Le message de Schmitt dans ce travail (et dans d'autres), c'est un appel à la constitution de différents “Grands-Espaces”, ce qui semble advenir aujourd'hui, surtout depuis la Guerre du Golfe. La théorie du pluralisme des Grands-Espaces, Schmitt l'a bien exprimée dans un autre texte figurant dans l'anthologie de Maschke: Die Ordnung der Welt nach dem Zweiten Weltkrieg (= l'Ordre du monde après la seconde guerre mondiale). Schmitt y écrivait: «De quelle manière se résoudra la con­tradiction entre le dualisme de la Guerre Froide et le pluralisme des Grands-Espaces...? Le dualisme de la Guerre Froide s'accentuera-t-il ou bien assistera-t-on à la formation d'une série de Grands-Espaces, qui généreront un équilibre dans le monde et, par là même, créeront les conditions premières d'un ordre paci­fique stable?» (Maschke, p. 607).

En 1995, nous connaissons la réponse à la question que posait Schmitt en 1962. Le dualisme n'est plus et nous pouvons assister à l'émergence (timide) de Grands-Espaces, qui pointent à l'horizon. Nous ne pouvons toujours pas deviner quelle sera l'issue de ce processus. Des changements surviendront indubi­tablement dans le cours des choses mais nous pouvons d'ores et déjà penser que l'ALENA et l'UE seront deux de ces Grands-Espaces, et ils coopéreront sans doute avec le Japon. Le Lieutenant-Général William E. Odom de l'US Army, aujourd'hui à la retraite, a lancé quelques éléments dans le débat visant à structurer le système qui prendra le relais de celui de la Guerre Froide dans son ouvrage How to Create a True World Order (= Comment créer un véritable Ordre Mondial?; Orbis, Philadelphia, 1995). La Russie, la Chine, l'Inde, le Sud-Est asiatique et le monde musulman pourraient bien devenir des Grands-Espaces autonomes. L'Afrique continuera à végéter dans la misère, sauf peut-être le Nigéria et l'Afrique du Sud. L'attitude agressive croissante de la Chine aura sans doute pour résultat d'avertir les petites puissances d'Asie; elles prépareront dès lors leur défense contre l'impérialisme chinois à venir.

Dans la quatrième partie de l'anthologie de Maschke, nous trouvons encore un texte fondamental, Gespräch über den Partisanen (= Conversation sur la figure du partisan). Au départ, il s'agissait d'un dé­bat radiodiffusé en 1960 entre Schmitt et un maoïste allemand, Joachim Schickel. ce débat était bien en­tendu marqué par la grande question de cette époque: l'insurrection croissante au Vietnam. Il n'en de­meure pas moins vrai que la question de la guerilla (ou du Partisan) demeure. Le Law Intensity Warfare (= la guerre à basse intensité) continuera à faire rage sur la surface du monde et influencera les processus politiques. Résultat: le terme de “Guerre civile mondiale” acquerra sans cesse de l'importance (1).

Carl Schmitt n'était pas en première instance un géopolitologue. Il était un expert en droit constitutionnel et international. Toutefois, au moment où nous allons aborder le nouveau millénaire, il est temps, me semble-t-il, de remettre sur le métier les approches schmittiennes en matières géopolitiques et géostra­tégiques globales. Même si Schmitt reste une personnalité controversée (à cause des opinions qu'il a émises au début des années 30), il est devenu impossible de l'ignorer quand on élabore aujourd'hui des scénarii pour l'avenir du monde.

Theo HARTMAN.

(«State, Nomos and Greater Space. Carl Schmitt on Land, Sea and Space», in Center for Research on Geopolitics (CRG), Special Report no.4, Helsingborg/Sweden, 1996. Adresse: CRG, P.O.Box 1412, S-251.14 Helsingborg/Suède).

Références du livre de Maschke: Carl SCHMITT, Staat, Großraum, Nomos. Arbeiten aus den Jahren 1916-1969. herausgegeben, mit einem Vorwort und mit Anmerkungen verse­hen von Günter Maschke, Duncker & Humblot, Berlin, 1995.

Note: (1) Pour une analyse complète de na notion de “Guerre civile mondiale”, cf. le manuscrit impublié de Bertil Haggman, directeur du CRG suédois, intitulé Global Civil War - A Terminological and Geopolitical Study, 1995).

 

07:20 Publié dans Théorie politique | Lien permanent | Commentaires (2) | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook

Nationalisme en economie : de visie van G. Faye

Frederik RANSON

In het werk van Guillaume Faye – Pourquoi nous combattons in het bijzonder – dat ik nu enigszins kunstmatig moet verengen tot economie zijn de centrale begrippen: autarchie en organische economie. In zijn boek L’Archéofuturisme gaat hij dieper in op het begrip “economie met twee snelheden” (over een radicale verandering in de verhouding tussen landbouw en nijverheid), maar dat heeft deze redacteur (nog) niet kunnen lezen. Faye beschouwt zijn zienswijze zelf als een “derde weg” die zowel het liberalisme als het socialisme afwijst. Faye voorspelt ook dat het binnen enkele decennia tot een samenloop van ecologische, economische en etnische problemen zal komen (la convergence des catastrophes). Ik zal beginnen met een theoretische uiteenzetting van Fayes werk en vervolgens enkele van zijn praktische voorstellen toelichten.More...

Autarchie

Van Dale omschrijft autarchie als “onafhankelijk zelfbestuur”. Economisch gezien betekent dat dus een zelfbedruipende (onafhankelijke) economie. Het is bij uitstek een nationalistisch begrip. Het begrip autarchie gaat al lang mee en heeft als voordeel dat het duidelijker is dan “derde weg”. Na de beurskrach van ’29 zwol de nationalistische kritiek aan tegen het al te speculatieve karakter van de wereldeconomie. Zo beriepen de voorstanders van een Nieuwe Orde zich op corporatisme, nationalisme, protectionisme, socialisme en solidarisme. In de Lage Landen waren dat vooral Joris Van Severen, Hendrik De Man en Edgar Delvo. Waar het autarchiebegrip destijds nationaal werd ingevuld, wordt het bij Faye continentaal ingevuld. Het begrip Groβraumautarchie ontleent Faye aan de bekende Duitse staatsrechtgeleerde Carl Schmitt. Onder Groβraum verstaat Faye concreet een “Eurosiberisch rijk”. Het bondgenootschap tussen het Europese schiereiland en Rusland zou meteen dé nieuwe wereldmacht zijn. De Russische grondstoffen zouden onze onafhankelijkheid verzekeren ten opzichte van het Midden Oosten. De vraag die ons als nationalisten natuurlijk bezighoudt, is: hoe moeten natie (nationalisme) en rijk (federalisme) zich volgens Faye verhouden? Het antwoord luidt: “De enige positieve opvatting van het Rijk is degene die het niet tegenover de idee van Natie stelt. Het Rijk is dus een federatie van etnisch verwante volkeren, een soort Grote Federale Natie […] Het Rijk is een gedecentraliseerde Federatie voorzien van een sterk centraal gezag, maar volgens het subsidiariteitsbeginsel beperkt tot de belangrijke interventiedomeinen: buitenlandse politiek, bescherming van de grenzen, grote economische en ecologische regels enz. […] Zijn samenstellende delen zijn zelfstandig en kunnen op verschillende wijze georganiseerd worden, door een eigen binnenlandse politiek (gerecht, instellingen, fiscale autonomie, onderwijs, taal, cultuur enz.)”[1]. Het gaat erom verscheidenheid en eenheid, het “Europa van de volkeren” en het “Europa van de macht” te verzoenen. Met de huidige EU moet daarom gebroken worden volgens Faye.
Eén van de laatste protectionistische bastions is thans het landbouwbeleid van de EU met haar exportsubsidies, importheffingen en productiesteun. Zonder dat protectionisme – en dus volgens de “marktlogica” – zou er in Europa geen landbouw meer bestaan. De neoliberale WTO (wereldhandelsorganisatie) wil maar al te graag dat de EU haar markt “opent” voor landbouwproducten onder het voorwendsel dat dit de derdewereldlanden ten goede zou komen. Menslievende motieven zijn de WTO uiteraard vreemd: niet de allerarmste landen zullen het gat in de markt opvullen, maar wel bijvoorbeeld Australië, Brazilië, Canada en de VSA. Als nationalist ben ik er voorstander van dat protectionistische beleid naar andere sectoren uit te breiden. Een nationale autarchie kan een dergelijk beleid nooit voeren, vandaar de noodzaak van een continentale autarchie.

Organische economie

Organische economie is een begrip dat voortkomt in het nieuw-rechtse lexicon, maar dat eigenlijk véél ouder is. Organicisme of holisme gaat ervan uit dat een geheel steeds meer is dan de som der delen. Een samenleving is dan als een organisme met drie functies: de soevereine als “hoofd”, de militaire als “hart” en de economische als “maag”. Plato koppelde daaraan respectievelijk de drie deugden wijsheid, dapperheid en matigheid. Dat trifunctionalisme heeft op alle volkeren van Indo-europese oorsprong min of meer zijn stempel gedrukt. Vanuit die zienswijze bevredigt de economie bepaalde behoeften van de mens, maar zeker niet álle behoeften. Denk maar aan de culturele, intellectuele of spirituele behoeften die de mens maken tot wat hij is! Men kan terecht stellen dat de liberalen Europa opgezadeld hebben met een marktmaatschappij die de ontkenning is van die wezenlijke behoeften en die het “individu” helemaal niet bevrijdt, maar het juist onderwerpt aan de geldgod. Het primaat van de politiek betekent dus dat de politiek (eerste functie) de economie (derde functie) haar plaats toekent, maar ook haar grenzen. De vrije markt is de beste methode voor de economie, maar het is de staat – uitdrukking van het algemene belang, de natie – die bepaalt wat economie is. Etatisme? Neen, want een goede staat is uiteraard een sterke en geen vette staat. Hoeven nationalisten volgens de “marktlogica” bijvoorbeeld de commercialisering (en verengelsing) van de audiovisuele media of het onderwijs te slikken? Neen, daar eindigt de economie en dus ook de vrije markt! In plaats van te geloven aan de “logica van de markt” moeten wij mijns inziens ook durven geloven aan de “maakbaarheid van de markt”. Zo heb ik ook geen bezwaar tegen de nationalisering van banken of nutsvoorzieningen[2]. De staat mag echter alleen op politieke wijze tussenkomen, namelijk door de grote regels te bepalen.

Een “derde weg”

Als Faye het Rijnland-model bekritiseert, lijkt dat vooral om de Franse of Waalse variant ervan te gaan die zéér centralistisch en bureaucratisch is. Kortom, een geldverslindend en inefficiënt model. Het is volgens hem een combinatie van het slechtste van het liberalisme (vrijhandelsliberalisme[3]) en het slechtste van het socialisme (etatisme, syndicaal corporatisme, fiscalisme). Faye ontleent voor zijn “derde weg” enerzijds aan het “goede” liberalisme de idee van vrije concurrentie als motor van de economie en anderzijds aan het “goede” socialisme de idee van sociale rechtvaardigheid en recht op werk. Enkele belangrijke paradigma’s zijn: vrijemarkteconomieën gebed in hun respectieve beschavingen, grote openbare investeringsplannen, een coördinatie tussen planning en markt, een vlaktaks in plaats van de huidige progressieve belasting, een monetaire politiek bepaald door de staat en niet door de markt, deeltijds werk in ruil voor een werkeloosheidsuitkering, beperking van het recht op werk en geen sociale uitkeringen meer voor vreemdelingen. Faye is daarnaast ook een pleitbezorger van kernenergie en vooral van kernfusie. Fossiele brandstoffen zijn immers de grootste vervuilers en maken Europa in zijn energievoorziening afhankelijk van Anglo-Amerikaans-Arabische maatschappijen.

De kosten van het multiculturalisme en het tiersmondisme

Faye hekelt niet alleen het geldverslindende karakter van een etatistisch-socialistisch beleid, maar ook van de multiculturele samenleving en de ontwikkelingssamenwerking. De aanwezigheid van miljoenen laaggeschoolde niet-Europese vreemdelingen in Europa is een rem op onze economische groei en een last voor onze sociale zekerheid. De vele multiculturele en sociaal-economische projecten ten voordele van die vreemdelingen blijken eveneens weggegooid geld. De derdewereld parasiteert op Europa op viervoudige wijze. Ten eerste is er de rechtstreekse financiële kost zoals leningen met verlies en kwijtschelding van de schulden. Ten tweede is er de kost van de ontwikkelingssamenwerking en technologische transfers, hoewel weinig derdewereldlanden erin geslaagd zijn een minimaal economisch evenwicht te bereiken. Ten derde is er de kost van de ontdekking en ontginning van de grondstoffen waarvoor die landen enorme rentes opstrijken, hoewel Eurosiberië eigenlijk geen hulpbronnen uit de derdewereld nodig heeft. Ten vierde is er het bevolkingsoverschot van de derdewereld dat verhuist naar Europa. Er is ook nog het probleem van de overbevolking en de manifeste onwil van de derdewereldlanden om daaraan iets te veranderen. “Onder meer op de Wereldbevolkingconferentie in Cairo eiste een groot deel van de derdewereldlanden het recht op een blijvende bevolkingsgroei […] De islamlanden wilden niet eens dat men sprak over het Cairo-document, dit vormde in hun ogen immers een smet voor de hoofdstad van een islamitisch land. Op de slotdag stelden de moslimstaten gezamenlijk dat ze heel wat bezwaren hadden en dat de wetten van de koran hoe dan ook voorgaan op de adviezen van de Verenigde Naties. Tekenend […] was ook de kloof tussen Noord en Zuid inzake familiehereniging (het recht van immigranten om hun familieleden te laten overkomen): de derdewereldlanden wilden dat als een universeel recht laten inschrijven, het Noorden weigerde”[4]. Zo blijft elke vorm van ontwikkelingshulp een druppel op een hete plaat! Er is echter nog een teken aan de wand: “De grote meerderheid van de landen besteedt volgens de Wereldrapporten over de Menselijke Ontwikkeling van de Verenigde Naties slechts enkele procenten van het BBP aan militaire uitgaven. Alle westerse landen zitten tussen 1 en 3% (behalve Griekenland). Daar waar de islam de plak zwaait, zien we echter percentages van 5 tot 15% voor legeruitgaven, zelfs in een arm land als Jordanië”[5]. Om die landen en hun respectieve elites dus op hun eigen verantwoordelijkheden te wijzen moet Europa zich volgens Faye zoveel mogelijk afhouden van ontwikkelingshulp.

Mijn besluit

Het liberalistische model van de ontwortelde economie staat lijnrecht tegenover het nationalistische model van de verwortelde (organische) economie. Nieuwe arbeidsmigraties en delokalisaties zullen het neoliberalisme verder ontmaskeren als een antinationaal en antisociaal gif. Het nationalistische model kent geen andere lobby dan de volksgemeenschap en het behoud van haar eigenheid, leefbaarheid en onafhankelijkheid in de ruimste zin. Faye deelt die uitgangspunten, maar hij is zeker niet de enige. Ook Filip De Man breekt in zijn eerder geciteerde werk een lans voor economische verankering en werknemersparticipatie. Dat kan door de brede verspreiding van aandelen en obligaties (onder álle werknemers) en verankering- en pensioenfondsen. Zo wordt Vlaams spaargeld aangewend om de economische sleutelsectoren in Vlaamse handen te houden (nationale autarchie). Voor wie het Frans dus onvoldoende machtig is om Faye te lezen is Filip De Man een uitstekend alternatief.Frederik Ranson

Scriptor NSV!-Gent

Stud. rer. pol.



  

 

[1] Faye, G. Pourquoi nous combattons. Manifeste de la Résistance Européenne. Parijs, L’Aencre, 2000, p. 112.
[2] “Voorzieningen van openbaar nut, zoals gas, elektriciteit en water, en de aanlevering daarvan” (Van Dale).
[3] “L’ouverture inconsiderée des frontières sans bénéficier de l’aide à la liberté d’entreprendre”. Bron: Faye G. Pourquoi nous combattons. Manifeste de la Résistance Européenne. Parijs, L’Aencre, 2000, p.26.
[4] De Man F. De eeuwige strijd. Hellas, Rome en Europa in het juiste perspectief. Brussel, Egmont, 2003, p 138.
[5] De Man F. De eeuwige strijd. Hellas, Rome en Europa in het juiste perspectief. Brussel, Egmont, 2003, p 161.

07:00 Publié dans Théorie politique | Lien permanent | Commentaires (0) | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook