Ok

En poursuivant votre navigation sur ce site, vous acceptez l'utilisation de cookies. Ces derniers assurent le bon fonctionnement de nos services. En savoir plus.

dimanche, 11 février 2007

Turkije: een brug te veel !

Marcel RÜTER:

TURKIJE: EEN BRUG TE VEEL !

Pub_novonla_2

(Novopress) Marcel Rüter - De Turkse financiële ballon is geploft en de vlucht weg van de Turkse Lira is een feit. De Turkse Centralebank heeft de afgelopen tijd de ene renteverhoging na de andere gepresenteerd en bevindt zich nu reeds boven de 17%. Grote kapitaalvlucht uit Turkije is reeds een feit.

Jarenlang bevond Turkije zich in een praktisch paradijselijke roes: Groeicijfers tussen de 7 en 9 procent, inflatie op de laagste stand sinds 30 jaar, een grote kapitaal toestroom. Slechts de dieprode handelsbalans leek een zwak punt. Maar daarnaast trokken door de groei veel arbeidskrachten van het land naar de steden en zorgden samen met jarenlange geboortgolven ervoor dat de werkloosheid ondanks de economische groei sterk toenam.

Met de waardeval van de Turkse Lira loopt ook de schuldenlast van de Turkse industrie hoog op, die zich in de ogenschijnlijke paradijselijke jaren tegoed heeft gedaan aan massale investeringen. Neem daarbij de politieke en sociale problemen en tegenstellingen in Turkije en niemand hoeft meer te twijfelen dat Turkije niet tot de EU kan toetreden.

Een toetreding van Turkije zou een directe en langdurige aderlating van de Europese Unie betekenen. Turkije valt immers socio-economisch niet in te passen. 15% van de Turken leven onder de armoedegrens (die in Turkije nota bene op 35 euro vastgelegd werd terwijl ze in de EU op 300 euro ligt!). Turkije is een straatarm land waarvan het merendeel van de staatsuitgaven naar defensie en religie gaan. Het BBP per capita in Turkije bedraagt net 2,000 euro terwijl het in de EU-15 meer dan 27,000 euro bedraagt. Deze kloof is onoverbrugbaar zonder decennialang steun te blijven geven aan Turkije. Een Turkse toetreding en de massale geld Ook de toekomst ziet er niet beter uit. De Turkse economie groeit jaarlijks nauwelijks met 1%, wat neerkomt op een lagere groei dan de groei van hun bevolking. Turkije kan ook zijn inflatie niet onder controle houden. Over de laatste dertig jaar bedraagt de gemiddelde inflatievoet meer dan 65%. Ook hun archaische landbouwmethodes maken een uniform Europees landbouwbeleid onmogelijk zonder massa’s investeringen in de Turkse landbouw.

Het oprichten van bedrijven duurt maanden. Er is geen toegang tot de internationale kapitaalmarkten. Import- en exportbeperkingen volgen elkaar in sneltempo op. Overheidsbedrijven draaien slecht maar blijven bestaan. De Turkse staat controleert zelfs traditioneel “vrije” markten zoals het bankwezen en - een deel van - de toeristische sector. Slechts een kleine 45% van de Turken heeft werk. Het onderwijs biedt nauwelijks terdege opleidingen om de economie van competente werknemers te kunnen voorzien. Ook het instabiele politieke klimaat, de voortdurende bemoeienissen van de overheid en het ontbreken van een volwaardig onafhankelijk onpartijdig niet-corrupt rechtssysteem zijn welvaartsvernietigend.

Niet alleen economisch is Turkije voor toetreding tot de EU een brug te ver.

Bovenal is Turkije geen Europees land. Slechts een klein deel van Turkije ligt geografisch in Europa. Noch historische motieven (de Turkse aanwezigheid in Europa was er een van oorlog, bezetting, onderdrukking en plundering), noch defensiemotieven (Turkije zal echt niet uit de NAVO stappen als het niet tot de EU toe mag treden) kunnen hier een rol spelen. Dat op termijn de Middellandse Zee, de Bosphorus en de Zwarte Zee de Europese zuidgrenzen worden, lijkt voor zich te spreken. Turkije past niet in de EU !

Ook de absorptiekracht van de EU kan Turkije niet aan. Turkije zou het grootste land in de Unie worden met een bevolking die tegen 2020 groter zal zijn dan die van Duitsland. Daarbij komt nog het feit dat miljoenen Turken als gevolg van hun diaspora reeds uitgeweken zijn naar andere Europese landen. Tegen de politieke macht van Turkije zal niets of niemand nog opgewassen zijn. De EU zal verworden tot een groot nieuw Ottomaans rijk waar de Islamisering een feit zal zijn.

De verschillen tussen Europa en de Islam zijn te groot om een dergelijke Unie werkbaar te kunnen houden. De zee tussen onze beide beschavingen is nog te diep. Ook de toenemende radicalisering van de Turkse islam is eerder zorgwekkend te noemen.

Turkije respecteert de mensenrechten niet. De Koerden worden nog steeds onderdrukt. Burgerlijke vrijheden zijn ondergeschikt aan de willekeur van de staat. Vrouwen zijn minderwaardig aan mannen. Eremoorden en kinderarbeid zijn gereglementeerd maar worden oogluikend toegelaten. De Armeense genocide wordt doodgezwegen en ontkend. De steun aan staten - zoals Afghanistan, Soedan, Nigeria en Palestina - die het niet nauw nemen met de mensenrechten en het terrorisme financieren, wordt ononderbroken voortgezet.

De grootste paradox in het “seculiere democratische” Turkse bestel is de almacht van het leger. Het Turkse leger hangt nog steeds het kemalisme aan dat areligieus was, terwijl de politieke wereld steeds meer de kant kiest van de - al dan niet fundamentalistische - islam.

Turkije hoort niet thuis in de EU. De Turkse president Demirel noemde Turkije een brug tussen oost en west. Maar Turkije is niet zomaar een brug te ver, Turkije is een brug te veel voor Europa !

06:10 Publié dans Affaires européennes | Lien permanent | Commentaires (0) | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook

Globalisme et pauvreté

André Wolff

 

Globalisation et pauvre

 

Le concept selon lequel la "globalisation" serait l'unique moyen de lutter contre la pauvreté dans le monde et plus particulièrement dans les pays du Tiers Monde  ( en oubliant peut-être que même dans les pays industriellement et économiquement les plus développés la pauvreté reste un problème prenant parfois encore des proportions inacceptables, notamment au sein de l'Union européenne elle-même, dans certaines zones comme des régions déterminées de l'Italie du sud, du Sud de l'Espagne, du Portugal, de la Grèce, etc.) est erroné dans son essence même.

 

 

Selon l'idéologie de la "globalisation", le principal remède à la pauvreté dans les pays du Tiers Monde serait l'accès entièrement libre des pays du Tiers Monde aux marchés des pays développés et riches, dans le cadre d'une économie de marché pratiquement sans règles ni réglementations destinées à garantir au moins une concurrence loyale conforme aux principes du libéralisme traditionnel.

 

 

Il existe en effet une différence fondamentale entre la liberté d'entreprendre et de commercer sur une base d'honnêteté et de loyauté, et le type de "libéralisme" aujourd'hui de mode, qui vise à un marché mondial unique et sans entraves, de quelque nature qu'elle soient, laissé au libre jeu de forces (généralement privées, mais qui sont parfois aussi étatiques) pratiquement incontrôlables et qui selon la doctrine libériste ne devraient pas même être soumises à une quelconque forme de contrôle efficace, un libre jeu dans lequel, en fait, tous les coups seraient permis, revenant ainsi à une "loi de la jungle" de l'économie, de la finance et du commerce !

 

 

Une telle "globalisation" ne peut pas résoudre le problème de la pauvreté. Elle peut, certes, aboutir à l'enrichissement de certaines couches de la société, aussi bien dans les pays "pauvres" que dans les pays "riches". Il s'agit de couches de la société généralement déjà riches également dans les pays les plus pauvres, comme par exemple les pays du continent africain, auxquelles serait donnée la possibilité de s'enrichir encore davantage. Mais ce type d'enrichissement ne bénéficierait en aucune manière à l'ensemble et à la majorité des populations du globe, surtout et plus spécifiquement dans les pays les plus pauvres. En revanche, il est prévisible que la possibilité de vendre leurs produits obtenus à bas prix grâce à une exploitation incontrôlée de la main d'œuvre, souvent maintenue dans des conditions équivalant pratiquement à l'esclavage, sans protection sociale et sans protection même contre les accidents du travail, en défiant les Conventions internationales comme celles relatives, par exemple, au travail des enfants et des mineurs d'âge, etc, inciterait les agents économiques du Tiers Monde à augmenter la production en recourant à une intensification de l'exploitation et de la réduction en esclavage que l'on constate actuellement.

 

 

La "globalisation" et l'élimination de toutes les entraves dites "protectionnistes" impliquée par les "remèdes" proposés par ses partisans et supporters ne diminuerait pas la pauvreté dans l'ensemble du monde, mais aboutirait inévitablement à son accroissement et à la paupérisation également des populations des pays actuellement riches. En effet les produits des pays "pauvres" ne sont pas consommés par leurs populations, ou seulement dans une mesure minime quand c'est le cas, étant donné que ces populations ne disposent pas et disposeraient encore moins qu'auparavant de revenus suffisants pour les acquérir, mais par les populations des pays "riches" et hautement développés. La concurrence mondiale impitoyable et déloyale qui serait générée par l'élimination des entraves dites "protectionnistes" (qui plus spécialement dans l'Union européenne visent par ailleurs souvent en premier lieu à protéger le consommateur par le biais de normes de sécurité et destinées à la sauvegarde de la santé en fonction de critères pleinement justifiés) aurait pour conséquence inéluctable un alignement sur les méthodes de production a bas prix des pays moins développés, dans le but d'accroître la compétitivité et à la limite d'éviter la faillite. Il en résulterait en fin de compte un démantèlement de nos législations sociales, de nos normes de sécurité sur le lieu de travail, des normes de production visant à la protection de l'environnement dans l'interêt de tous, dans nos pays et au-delà de nos pays finalement dans le monde entier, étant donné les conséquences désastreuses des destructions de l'environnement qui menacent la planète, des garanties offertes par nos produits sur le plan sanitaire (inocuïté des produits alimentaires, etc.), que nous cherchons, au niveau de l'Union européenne, de perfectionner continuellement pour répondre à des nécessités incontestables. La conséquence en serait un abaissement généralisé du pouvoir d'achat et du niveau de vie de nos populations (alors que son relèvement est précisément l'un des objectifs fondamentaux du Traité de Rome, donc du Traité de base de la Communauté européenne) , un retour à la pauvreté réelle qui régnait souvent autrefois également chez nous, mais que la Communauté européenne est parvenue à éliminer dans une très large mesure dans nos pays, où elle est, dans l'ensemble,  devenue aujourd'hui la condition d'une minorité, même si elle représente encore dans certaines un pourcentage inacceptable selon nos normes.

 

 

Dans nos pays également la "globalisation" accroîtrait évidemment la richesse de certaines couches de la population déjà riches et permettrait d'accéder à la richesse à certains individus sans scrupules que nos réglementations européennes dérangent, mais il s'agirait en l'occurrence d'une petite minorité si l'on considère l'ensemble de la population, au détriment de laquelle la "globalisation"telle qu'elle est conçue par ceux qui la soutiennent se déroulerait sans aucun doute si elle était acceptée par nos dirigeants. On ne peut pas être pour l'Europe et soutenir en même temps une "globalisation" qui signifierait la destruction de tout ce que nous sommes parvenus à édifier. Si nous nous prononçons en faveur de l'Europe unie, nous devons en premier lieu défendre et protéger les interêts de nos propres peuples, de nos Nations européennes. S'agissant de lutter contre la pauvreté, nous devons en premier lieu viser à l'élimination totale de la pauvreté où elle existe encore dans nos propres pays et non à faire retourner nos propres populations aux conditions de pauvreté de jadis ou à les conduire à des conditions de pauvreté et d'esclavage identiques à celles des peuples du Tiers Monde. Il ne fait évidemment aucun doute que nous devons en même temps aider les peuples du Tiers Monde à surmonter les conditions dans lesquelles ils vivent. Mais en ce qui les concerne, notre aide ne saurait en aucune manière consister à favoriser l'intensification de leur exploitation telle qu'elle résulterait du type de "globalisation aujourd'hui de mode, qui aurait pour seul effet une dévastation frappant l'immense majorité des êtres humains et le monde en tant que tel !

 

 

Dans l'interêt de nos peuples européens et de tous les peuples de la terre nous devons avoir le courage d'agir à contre-courant de certaines modes diffusées par la petite minorité qui, dans le monde, compte tirer de l'acceptation de thèses fallacieuses des profits certes énormes, mais absolument illégitimes. Continuons donc d'oeuvrer dans la perspective d'un progrès humain réel et conforme aux traditions humanistes de nos Nations européennes, à savoir un progrès effectif non seulement dans le domaine des conditions de vie matérielles, mais encore dans le domaine moral et spirituel.

 

 

Traduction d'un article écrit en langue italienne pour la revue "l'Ordine Sociale" par Mr. André WOLFF,  fonctionnaire e r au Comité Economique et Social du Parlement Européen à Bruxelles.

 

 

05:55 Publié dans Economie | Lien permanent | Commentaires (0) | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook

Sur Paul de Lagarde

Robert STEUCKERS :

Petite note sur Paul de Lagarde

Né à Berlin le 2 novembre 1827, le grand orientaliste et théologien allemand Paul Anton Bötticher est mieux connu sous le nom de Paul de Lagarde. Il a commencé ses études des langues orientales et de théologie à Berlin en 1844 puis a travaillé des textes coptes et araméens. Paul de Lagarde se penche ensuite sur les textes de l’Ancien Testament, sur la Septuaginta, sur la Patristique et d’autres écrits en langues orientales anciennes.

Ce travail d’investigation en profondeur amène tout naturellement Paul de Lagarde à percevoir l’histoire religieuse du Proche-Orient antique et de l’Europe christianisée comme une dynamique dont il faut cerner et capter les racines. La théologie devient pour lui, non pas une spéculation sub specie aeternitatis, mais une discipline historique comme le droit selon Savigny et Eichhorn, ou l’économie à partir de Sismonde de Sismondi et de l’école historique allemande.

Pour comprendre le message pur du Christ, pensait Paul de Lagarde, il ne faut pas retourner à une pureté évangélique, posée comme telle sans argumentation historique, mais relire les textes antiques et dépouiller le christianisme primitif de tous les apports pauliniens, postérieurs à la disparition de Jésus, ce qui laisse apparaître une vision religieuse originale, axée sur le rapport direct de l’homme à Dieu et sur une éthique rigoureuse. Ces constats premiers conduisent Paul de Lagarde à critiquer les institutions confessionnelles existantes, les églises, véhicules de vérités figées, non vérifiées à la lumière des textes orientaux anciens.

De ce fait, vu la juxtaposition d’églises aux doctrines boiteuses et incomplètes dans l’Allemagne de son temps, Paul de Lagarde préconise la séparation des églises et de l’Etat et suggère une politique vigoureuse, où les institutions confessionnelles se verraient contraintes de mettre un terme à leurs querelles, qui divisent le peuple, et d’unir leurs efforts au sein d’une « église nationale allemande », qui reviendrait à la doctrine de Jésus, dans la mesure où celle-ci correspond au sens germanique de la liberté, de la dignité de l’homme et d’un rapport immédiat et non médiat avec le divin. Dans certains milieux catholiques, en dehors d’Allemagne, on a souvent tendance à penser que Paul de Lagarde est l’exposant prussien et protestant (sa famille est effectivement protestante et piétiste) d’une réforme religieuse visant à affaiblir l’Eglise catholique en Europe du Nord.

Cette interprétation est erronée : Paul de Lagarde avait une vision liturgique plus catholique que protestante ; de plus, il n’a jamais ménagé ses critiques à l’encontre de Luther et du protestantisme, accusant ceux-ci de réintroduire de forts éléments de paulinisme dans le christianisme, alors que l’ère médiévale les avait oblitérés et étouffés sous la masse d’apports européens (et germaniques en Europe centrale). D’autres critiques estiment que Paul de Lagarde introduit dans la pensée religieuse allemande de son temps des linéaments d’antisémitisme, alors que sa vision n’est nullement raciste : l’adhésion à une foi ne dépend d’aucun facteur racial ; tout citoyen juif qui adhère à une vision grecque, germanique ou européenne du divin est de facto grec, germanique ou européen (« Deutschsein ist nicht eine Sache des Geblüts, sondern des Gemüts »).

Sur le plan politique, Paul de Lagarde critique la vision prussienne et petite-allemande (c’est-à-dire avec exclusion de l’Autriche et de sa sphère d’influence pannonienne, danubienne, adriatique et balkanique), vision qu’il décrète « constructiviste » et dangereuse par son pangermanisme étroit, qui exclurait les peuples non allemands de l’espace centre-européen. Paul de Lagarde voulait une « Mitteleuropa » forte et puissante, solidement charpentée sur le plan territorial, et débarrassée de la rivalité stérile entre Hohenzollern et Habsbourg. L’influence de ce théologien et orientaliste méticuleux n’a guère été significative de son vivant ; c’est dans la postérité que ses idées ont été exploitées, remises en perspectives diverses, vulgarisées, et cela, à partir de Nietzsche, de Friedrich Naumann (penseur de l’organisation de la Mitteleuropa) et de Thomas Mann, du moins celui des « Considérations d’un apolitique ». Paul de Lagarde meurt le 22 décembre 1891 à Göttingen, où il avait enseigné les matières qui lui étaient si chères.

05:45 Publié dans Biographie | Lien permanent | Commentaires (0) | |  del.icio.us | | Digg! Digg |  Facebook